Storingen en knaagdieren liggen op de loer bij bodemvochtsensoren

bodemvochtsensor

NPPL-deelnemers zijn tevreden over de werking van bodemvochtsensoren bij precisielandbouw. Toch zitten er zoals bij alle nieuwe technologie wel een aantal haken en ogen aan. Deelnemers ervaren soms storingen en hebben te maken met dieren die kabeltjes doorknagen. Ook is niet altijd duidelijk hoe diep een sensor de grond in moet.

Van zes naar veertien sensoren

Stef Ruiter uit Andijk begon een jaar of zeven geleden met de eerste bodemvochtsensoren om het vochtpercentage te meten van de grond voor zijn tulpen. Inmiddels bezit hij er veertien. Daarmee brengt hij het aanwezige vocht tot in de puntjes in kaart. Op zijn percelen staan complete weerstations met bodemstations en single stations, die onder meer vochtpercentage en temperatuur meten. Hij meer er ook wortelspanning mee. De sensoren zet hij neer op posities met een goede referentiewaarde voor het hele perceel.

“Ze bevallen mij nog altijd goed. Het voordeel voor mij is dat ik nu met ieder perceel kan anticiperen op vocht, en ook intervallen kan berekenen, omdat ook verdamping in kaart wordt gebracht. Zo krijg ik een goed inzicht in de hoeveelheid water die ieder perceel kan absorberen.” Ruiter is in de basis dus erg over de sensoren te spreken. “Omdat je gerichter kunt werken en bespuitingen makkelijker kunt plannen.”

Minpuntjes

Er zijn ook kleine minpuntjes. Bij het maken van planningen voor beregening komt bijvoorbeeld nog wel een hoop werk kijken, legt Ruiter uit. “Als je slechts één keer per week al je percelen beregent, kun je een maand van tevoren al je planning maken. Als je specifiek naar behoefte gaat beregenen zoals ik doe, vraagt dat natuurlijk ook meer planwerk. Hoe meer sensoren je hebt, hoe meer planning nodig is.”

(tekst gaat onder foto verder)

stef ruiter
Stef Ruiter is begonnen met zes sensoren. Inmiddels heeft hij er veertien, waaronder complete weerstations.

Gevoel krijgen voor beregening op maat

Toch went dat plannen na een tijdje, zegt Ruiter. “Als je consequent je percelen beregent op de momenten waarop het nodig is, dan wordt beregening plannen minder werk, omdat je dan beter kan inschatten hoe een sensor communiceert ten opzichte van de waarden die met het oog zelf zijn waar te nemen. Je krijgt dus, met wat je op het oog ziet, door de informatie van sensoren, een betere inschatting.”

Het komt bij Ruiter nog wel eens voor dat er een storing optreedt. “Vooral in het verleden hebben we daar problemen mee gehad. Dan kun je bijvoorbeeld de sensoren niet online uitlezen, of moet je een paal resetten. Wat ook wel eens gebeurt, is dat knaagdieren de bedrading doorvreten. Er zit dus wel een beetje werk aan, maar als je gericht wil werken zijn bodemvochtsensoren gewoon een heel mooie tool.”

Zuigspanning meten

NPPL’er Pieter van Leeuwen Boomkamp uit Nijkerk gebruikt pas sinds kort bodemvochtsensoren bij zijn uien en aardappelen. In 2020 ging hij aan de slag met drie GeoBas-sensoren van Vantage Agrometius. Een jaar eerder gebruikte hij een vochtpercentagesensor van Sensoterra. “Maar met alleen een vochtpercentagesensor had ik niet het idee dat ik alles uit de metingen haalde wat ik nodig heb. Ik investeerde daarom verder, in een drietal sensoren waar ik meer kanten mee op kan. Nu meet ik bijvoorbeeld ook zuigspanning van de wortels en ik meet regen per perceel. Zo krijg ik meer het hele klimaat in beeld.”

Wat van Leeuwen Boomkamp positief opviel bij het gebruik van sensoren zijn de inzichten. Zo blijkt dat minder snel achter elkaar hoeft te beregenen om het juiste vochtgehalte te waarborgen op zijn percelen. Soms scheelde dat een aantal dagen, waardoor hij een groter deel van zijn akker met één haspel kan beregenen. “Het kost even tijd voor je ze goed hebt geplaatst. Als ze eenmaal staan is het alleen nog een kwestie van dagelijks checken wat ze aangeven.”

(tekst gaat onder foto verder)

boidemvochtsensor
Vochtsensor in uienperceel bij Pieter van Leeuwen Boomkamp. “Als je kosten moet maken voor een beregeningshaspel, dan loont het om daar ook sensoren bij te kopen.”

Klimaatverandering beter in kaart

De investering was voor Van Leeuwen Boomkamp geen groot probleem. “Als je kosten moet maken voor een beregeningshaspel, dan loont het om daar ook sensoren bij te kopen.” Ook van Leeuwen is behoorlijk positief. “Ik had in 2019 het gevoel dat ik onvoldoende grip had op het beregenen. Het was wat beregening betreft gewoon een raar jaar. Ik dacht: als 2020 wéér zo’n jaar wordt, dan moet ik iets doen. Om goed in te kunnen grijpen, moet je dan zoveel mogelijk meten. Het gemak van sensoren is dat je per perceel kunt checken of er wel of geen regen is gevallen.”

De sensoren van Van Leeuwen Boomkamp hebben heel af en toe een storing, maar er zijn geen grote technische problemen. Wél heeft hij, net als Stef Ruiter, vermoedelijk ook last van nieuwsgierige knaagdieren. “Bij een van mijn sensoren leken alle kabeltjes er met een mesje afgesneden. Maar het zouden ook goed knaagdieren kunnen zijn. Ik ga binnenkort maar eens onderzoeken hoe dat kan.”

Uitzoekwerkje

Bij akkerbouwer Peter van der Poel in Abbenbroek is er nog geen overlast van knaagdieren of terugkerende storingen, zoals bij zijn collega’s. Sinds twee jaar heeft hij op zijn percelen uien en aardappelen bodemvochtsensoren van Sensoterra. Aanvankelijk begon hij met twee sensoren, inmiddels heeft hij er zes. Voor Van der Poel was het in gebruik nemen van de sensoren een uitzoekwerkje. “We wisten niet gelijk hoe diep de sensoren in de grond moeten en hoe ver ze van elkaar af moeten staan. Na een aantal dingen uitproberen, heb ik dat beter onder controle. Nu wil ik er vooral meer mee kunnen meten.”

In de droge periode van vorig seizoen zag Van der Poel aan de data dat hij nét op tijd is geweest met beregenen. “Je ziet in de grafieken de vochtpercentages in die periode langzaam naar beneden gaan. Die grafiek probeer ik nu zo goed mogelijk te volgen. Het werkt voor mij goed, maar er komt toch wel wat bij kijken.” Van der Poel miste bij zijn sensoren soms wat begeleiding. “Ik zou met name graag per gewas of grondsoort precies willen weten hoe ver de sensor in de grond moet. Bij zandgrond is het bijvoorbeeld niet zo erg als een sensor iets te diep erin is gestoken, maar bij kleigrond kan dat wel gevolgen hebben.”

(tekst gaat onder foto verder)

weerstation
Weerstation op bedrijf van Peter van der Poel. Hij wil meer zicht krijgen op bodemvocht en de invloed van het weer.

Komende jaren verder met bodemvochtsensoren

Alle drie de NPPL-deelnemers zijn van plan om ook in 2021 bodemvochtsensoren in te zetten. “Het gaat bij mij prima, maar wat ik anderen zou willen meegeven is dat je bij gebruik van meer dan drie sensoren wel voor jezelf een constructie moet opzetten om de data overzichtelijk te interpreteren”, zegt Ruiter. “Dat kan met een landkaartje waarop huidige neerslag en temperatuur te zien zijn, en tegelijkertijd ook bodem specifieke eigenschappen per perceel in beeld gebracht worden.”
Van Leeuwen Boomkamp gaat in 2021 verder uitbreiden. “Ik ga meer sensoren aanschaffen, om de metingen over mijn percelen beter te spreiden. Het is fijn om te weten of een bui net wel of niet op je grond is gevallen. Ik heb ook behoefte aan onderzoek, met name naar welke variatie je moet aanhouden met beregenen per grondsoort.

Van der Poel heeft nu zes sensoren, maar denkt ook na over meer. “Voor mijn percelen met aardappelen zou ik er eigenlijk wel meer willen hebben, maar dan wil ik wel eerst meer controle over de sensoren die ik nu al gebruik. Bij sommigen is nog altijd niet helemaal duidelijk hoe diep ik ze het beste kan plaatsen.”

Foto openingsbeeld: Dacom – Cor Rijzebol

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Door op “Plaats reactie” te klikken ga ik akkoord met
de gebruikersvoorwaarden en de Privacy Policy.

Dashboard