Je weet inmiddels waar de belangrijkste verschillen binnen het perceel liggen en waarop je misschien anders wilt sturen. Voordat je daarvan een taakkaart kunt maken, moet die informatie ook digitaal beschikbaar zijn.
Dat kan een bestaand satellietbeeld, een bodemkaart of een opbrengstkaart zijn. Het kan ook een eenvoudige kaart zijn waarop je zelf een droge kop, natte plek of onkruidhaard hebt ingetekend. Het belangrijkste is dat op de kaart duidelijk wordt waar je anders wilt sturen dan op de rest van het perceel. Daarvoor zijn in grote lijnen drie routes: gebruik data die er al is, teken in wat je zelf weet of verzamel nieuwe data. Vaak is één route al genoeg. Begin daarom eenvoudig en voeg alleen extra informatie toe als die echt helpt.
1. Bepaal eerst wat je op de kaart nodig hebt
Begin niet bij de kaart of de sensor, maar bij de toepassing. Wat wil je binnen het perceel anders doen en welk verschil moet daarvoor op de kaart staan? Voor variabel bekalken heb je bijvoorbeeld informatie over de pH nodig. Voor pleksgewijze onkruidbestrijding moet duidelijk zijn waar het onkruid staat. Wil je de bemestinsgift aanpassen aan de gewasontwikkeling, dan kan een satelliet- of dronebeeld juist een bruikbare basis zijn. Een kaart met veel kleuren is dus niet automatisch geschikt. De informatie moet passen bij de maatregel die je wilt uitvoeren.
De eerste vraag is daarom: welk verschil moet ik digitaal op een kaart hebben om verder te kunnen?
2. Gebruik data die er al is
Kijk voordat je nieuwe metingen laat uitvoeren welke digitale informatie al beschikbaar is. Misschien is het verschil dat je nodig hebt al eerder vastgelegd. Denk bijvoorbeeld aan:
- satellietbeelden uit het huidige seizoen of eerdere jaren;
- oude dronebeelden;
- opbrengstkaarten;
- bodemkaarten of eerdere bodemscans;
- hoogtegegevens;
- kaarten van eerdere bemestingen, bespuitingen of andere bewerkingen;
- gegevens uit eerdere onderzoeken of proeven op het perceel.
Satellietbeelden zijn vaak een laagdrempelige start. In verschillende programma’s zijn ze direct te bekijken en er zijn ook gratis bronnen beschikbaar. Door meerdere momenten of jaren terug te kijken, kun je zien of een patroon vaker op dezelfde plek terugkomt. Heb je een aantal jaren geleden een bodemscan laten uitvoeren, dan kan die nog steeds bruikbaar zijn voor eigenschappen die niet snel veranderen. Voor actuele gewasgroei of onkruiddruk heb je juist recente informatie nodig. Kijk dus niet alleen of data beschikbaar is, maar ook of deze nog past bij de vraag van nu.

3. Controleer of de bestaande data bruikbaar is
Niet elke bestaande kaart kan zonder meer als basis voor een taakkaart worden gebruikt. Controleer eerst wat de kaart laat zien en hoe betrouwbaar het patroon is. Let daarbij op de volgende punten:
- Past de kaart bij het verschil waarop je wilt sturen? Een gewasbeeld zegt bijvoorbeeld niet rechtstreeks wat de pH is.
- Herken je het patroon uit het veld of uit eerdere jaren? Een eenmalige afwijking kan zijn ontstaan door het weer, schade of een fout bij een bewerking.
- Is de informatie actueel genoeg? Bodemtextuur verandert nauwelijks, maar gewasontwikkeling en onkruiddruk kunnen per seizoen sterk verschillen.
- Is het oorspronkelijke digitale bestand nog beschikbaar? Een afbeelding of pdf is handig om te bekijken, maar vaak lastig om rechtstreeks naar een taakkaart te vertalen.
Je hoeft niet te wachten tot alle data perfect is. Als een kaart een duidelijk en herkenbaar verschil laat zien dat past bij de toepassing, kan dat al voldoende zijn om met een eenvoudige indeling te beginnen.
4. Teken in wat je zelf weet
Soms heb je geen bruikbare digitale kaart, maar weet je zelf precies waar een verschil zit. Je kent bijvoorbeeld de kop die in droge jaren als eerste terugvalt, de plek waar na veel regenwater blijft staan of de strook waar ieder jaar onkruid voorkomt. Die kennis kun je digitaal vastleggen door zones op een perceelskaart in te tekenen. Dat kan in landbouwsoftware waarin het perceel en een kaartachtergrond zichtbaar zijn. Je kunt hiervoor ook een geografisch informatiesysteem zoals QGIS gebruiken. Daarmee kun je ruimtelijke gegevens bekijken, combineren, analyseren en bewerken, maar deze route vraagt veel meer technische kennis en tijd. Teken alleen de zones die je daadwerkelijk nodig hebt. Wanneer je zelf twee delen van een perceel anders wilt behandelen, zijn twee zones vaak voldoende. Het handmatig intekenen van veel verschillende zones wordt al snel ingewikkeld en is meestal niet nodig. Sommige programma’s kunnen op basis van kaartgegevens automatisch meerdere klassen of zones maken. Maak de grens ook niet nauwkeuriger dan je kennis is. Weet je ongeveer waar een zandkop overgaat in de rest van het perceel, teken die overgang dan globaal in. Het doel is dat de kennis van het perceel digitaal bruikbaar wordt, niet dat je doet alsof iedere grens tot op enkele centimeters bekend is.
5. Verzamel nieuwe data als er nog iets ontbreekt
Heb je geen geschikte bestaande data en kun je het verschil ook niet goed uit eigen kennis intekenen? Dan is aanvullende informatie nodig.
Begin dan met de vraag: wat moet ik nog weten om het verschil op een kaart te krijgen?
Afhankelijk van die vraag kun je bijvoorbeeld kiezen voor:
- gerichte bodemmonsters voor verschillen in pH, organische stof of nutriënten;
- een bodemscan om bodemverschillen over het perceel in kaart te brengen;
- satelliet- of dronebeelden om verschillen in gewasontwikkeling te zien;
- een gewassensor of opbrengstmeting om verschillen tijdens de teelt of oogst vast te leggen;
- een hoogte meting wanneer ligging en waterverdeling belangrijk zijn;
- gerichte veldmetingen op een goede en een slechte plek om verschillen met elkaar te vergelijken.
Laat dus niet zomaar een scan of meting uitvoeren omdat er dan een mooie kaart uitkomt. Bepaal eerst welke informatie ontbreekt en kies daarna een methode die die vraag kan beantwoorden.

6. Spreek af wat je digitaal krijgt
Laat je een meting, dronevlucht of scan door een andere partij uitvoeren? Vertel dan vooraf dat je de gegevens mogelijk wilt gebruiken voor een taakkaart. Vraag niet alleen om een rapport, afbeelding of pdf, maar juist ook om de digitale kaartbestanden waarmee later verder gewerkt kan worden.
Vraag ook kort na wat de kaart precies voorstelt, wanneer de gegevens zijn verzameld en welke waarden of eenheden zijn gebruikt. Bewaar de oorspronkelijke bestanden en eventueel een korte uitleg erbij. Dat voorkomt dat je een jaar later nog wel een gekleurde kaart hebt, maar niet meer weet wat de kleuren betekenen of hoe het bestand gebruikt kan worden.
De precieze bestandsvorm hangt af van de software en machine waarmee je verder werkt. In deze stap is vooral belangrijk dat de data niet alleen zichtbaar is, maar ook beschikbaar blijft om zones of waarden uit over te nemen.
7. Combineer bronnen alleen wanneer dat helpt
Je hoeft bestaande data, eigen kennis en nieuwe metingen niet allemaal in een kaart te gebruiken. Eén betrouwbare bron kan voldoende zijn. Combineren is vooral nuttig wanneer je een patroon wilt controleren of beter wilt begrijpen. Stel dat je uit ervaring een droogtegevoelige kop kent. Je tekent deze plek op de kaart en bekijkt vervolgens satellietbeelden uit een aantal droge jaren. Als het gewas daar steeds vroeg terugvalt, geeft dat extra vertrouwen in de zone. Daarna kun je eventueel op de droge kop en op een goed deel van het perceel een gerichte bodemmeting doen. In dat voorbeeld gebruik je eigen kennis, bestaande beelden en een gerichte meting. Maar als de zelf ingetekende zone voor jouw toepassing al goed genoeg is, hoef je die extra stappen niet te zetten.

8. Wanneer is de basiskaart goed genoeg?
De basiskaart hoeft niet zo uitgebreid mogelijk te zijn. Hij is goed genoeg wanneer je er de volgende stap mee kunt zetten. Dat betekent dat:
- het verschil op de kaart past bij de toepassing die je wilt uitvoeren;
- de grenzen of patronen nauwkeurig genoeg zijn voor de manier waarop je wilt sturen;
- de informatie herkenbaar en voldoende betrouwbaar is;
- duidelijk is waar de kaart vandaan komt, wanneer deze is gemaakt en wat de weergegeven waarden betekenen;
- het digitale bestand beschikbaar is om verder te verwerken;
- de kaart eenvoudig genoeg blijft om in de praktijk mee te werken.
Het eindresultaat van deze stap is nog geen taakkaart. Je hebt nu een digitale basis waarop zichtbaar is: hier wil ik anders sturen dan daar. In de volgende stap vertaal je die basis naar zones, waarden of doseringen die de machine kan uitvoeren.
Praktische checklist
☐ Ik weet welk verschil ik digitaal op de kaart nodig heb.
☐ Ik heb eerst gekeken welke data al beschikbaar is.
☐ De gekozen kaart of dataset past bij de toepassing.
☐ Ik weet wat de herkomst en opnamedatum van de kaart zijn en wat de waarden op de kaart betekenen.
☐ Ik heb bestaande perceelskennis ingetekend als dat de eenvoudigste route is.
☐ Ik verzamel alleen nieuwe data als er nog informatie ontbreekt.
☐ Ik heb de digitale bestanden beschikbaar om later verder te verwerken.
