Stap 1. Variatie binnen een perceel: waar kun je op letten?

door Kasper van Tilburg (WUR)

Akkerbouw

Binnen een perceel kunnen verschillen voorkomen die relevant kunnen zijn voor plaatsspecifiek sturen. Die verschillen kunnen samenhangen met de bodem, waterhuishouding, teelthistorie, gewasaanleg, gewasontwikkeling, schade of de uitvoering van bewerkingen. Denk daarnaast ook aan verschillen zoals ras, plantdatum, plantmaat, zaaidichtheid of een verschil in mestgift. Ook die kunnen aanleiding zijn om binnen een perceel verschillend te kijken of te sturen.

De verschillende vormen van variatie kunnen elkaar overlappen. Een zichtbaar verschil in gewasontwikkeling kan bijvoorbeeld samenhangen met de bodem, waterhuishouding, gewasaanleg of een eerdere bewerking. In dit overzicht gaat het vooral om het herkennen van verschillen binnen het perceel.

1. Verschillen in bodem

De bodem kan binnen een perceel sterk verschillen. Denk aan verschillen in grondsoort, zoals lichtere en zwaardere delen, maar ook aan organische stof, lutumgehalte, pH, bodemstructuur of bewortelbare diepte. Ook verdichting, slempgevoeligheid, storende lagen of verschillen in bodemleven kunnen ervoor zorgen dat het gewas niet overal hetzelfde groeit. Zulke verschillen zijn niet altijd direct zichtbaar aan de oppervlakte, maar kunnen wel terugkomen in gewasbeelden, opbrengstkaarten of eigen ervaringen uit het veld.

Taakkaart bodemherbiciden

2. Hoogte en waterhuishouding

Hoogteverschillen binnen een perceel hebben invloed op de verdeling van water. Lagere delen blijven vaak langer nat, terwijl hogere of lichtere delen eerder droogvallen. Ook oude sloten, gedempte greppels, afstromingsbanen en verschillen in drainage kunnen zichtbaar worden in het gewas. Let bijvoorbeeld op plekken waar regelmatig water blijft staan, waar gewassen sneller verdrogen, waar sporen langer nat blijven of waar na zware regen schade optreedt. Dit zijn vaak plekken die ook in andere jaren anders reageren.

3. Verschillen door de geschiedenis van het perceel

Niet alle variatie komt door de huidige teelt. Ook eerdere jaren kunnen nog invloed hebben. Denk aan verschillen in voorvrucht, organische-mestgift, compost, bekalking, grondbewerking, of verdichte sporen. Daarnaast kunnen oude perceelsgrenzen, voormalige sloten, kuilplaatsen, erfstroken of plekken waar vroeger iets heeft gestaan nog lang zichtbaar blijven in de bodem en het gewas. Zulke historische verschillen zijn vaak niet direct bekend, maar kunnen worden herkend doordat dezelfde zones steeds terugkomen.

4. Verschillen bij het zaaien, poten of planten

Binnen een perceel kunnen al bij het zaaien, poten of planten verschillen in het gewas ontstaan. Soms komt dat door bewuste keuzes: een verschil in soort of ras, pootgoed- of plantmaat, zaai- of plantdatum, zaaidichtheid, plantafstand of het gewenste plantgetal. Delen van het perceel ontwikkelen zich daardoor al vanaf het begin anders. Ook de uitvoering van het zaai- of plantwerk en de omstandigheden op dat moment kunnen tot variatie leiden. Denk aan plaatselijke verschillen in zaaidiepte, verdeling van zaad of pootgoed, aansluiting van het zaaibed, bodemvocht, korstvorming of omstandigheden tijdens de opkomst. Hierdoor kunnen binnen het perceel verschillen ontstaan in plantgetal, plantgrootte en de gelijkmatigheid van de opkomst. Schade na opkomst of plaatselijk wegvallen van planten kan deze verschillen later in het seizoen verder versterken.

5. Verschillen in gewasontwikkeling

Tijdens het groeiseizoen kunnen verschillen zichtbaar worden in kleur, biomassa, bedekking, gewashoogte, groeisnelheid of afrijping. Op sommige plekken staat het gewas voller, groener of hoger, terwijl het elders achterblijft. Deze verschillen kunnen zichtbaar zijn tijdens een rondgang door het perceel, maar ook op satelliet- of dronebeelden. Het is daarbij vooral nuttig om te kijken of het om een tijdelijke afwijking gaat, of om zones die ieder jaar ongeveer op dezelfde plek terugkomen.

6. Onkruiden, ziekten, plagen en schade

Ook onkruiddruk, ziekten, plagen en schade zijn vaak niet gelijk verdeeld over een perceel. Sommige onkruiden komen bijvoorbeeld steeds terug op bepaalde plekken. Ook schade door slakken, insecten, wild, nachtvorst, droogte, hagel of wateroverlast kan plaatselijk optreden. Let niet alleen op de hoeveelheid schade, maar ook op het patroon. Ligt het probleem langs een rand, in rijsporen, op kopakkers, in lage delen of juist op droge koppen? Het patroon kan helpen om verschillen beter te herkennen.

7. Perceelsranden, kopakkers en machine-effecten

Niet ieder verschil komt uit de bodem of het gewas zelf. Kopakkers, perceelranden, schaduw van bomen, windgevoelige hoeken en rijsporen kunnen ook voor afwijkingen zorgen. Daarnaast kunnen eerdere machinebewerkingen verschil veroorzaken, bijvoorbeeld door overlap bij spuiten of strooien, wisselende rijsnelheid, afwijkende werkdiepte, insporing of verschillen in beregeningsbereik.

Vragen om mee het perceel in te gaan:

  1. Waar groeit het gewas ieder jaar zichtbaar anders?
  2. Welke plekken blijven langer nat of vallen eerder droog?
  3. Zijn er verschillen tussen hoge en lage delen?
  4. Waar zitten oude sloten, perceelsgrenzen of andere historische plekken?
  5. Zijn er zones met een andere bodemstructuur of grondsoort?
  6. Zijn verschillen bewust ontstaan door ras, plantdatum of eerdere bewerking?
  7. Komen onkruiden, schade of achterblijvende groei steeds op dezelfde plekken terug?
  8. Zijn er verschillen rond kopakkers, randen, rijsporen of machineoverlap?