Aandacht voor middelenbesparing, gewassensor en waterbalans

Met een nimmer aflatende ambitie gaat Sjaak Huetink ook dit jaar verder met diverse precisietoepassingen. Daaronder bestaande maar ook de allernieuwste technieken. Vooral dat laatste gaat soms trager dan gewenst.

Na drie jaar deelname aan het project Nationale Proeftuin Precisie Landbouw (NPPL) zijn Sjaak en zijn broer Henri Huetink van Huetink Bloembollen in Lemelerveld (Ov.) onverminderd ambitieus om meer te doen met minder als het gaat om onkruid- en ziektebestrijding, beregening en bemesting.

Zo ambitieus zelfs dat ze vaak sneller willen dan de beschikbare techniek en machinefabrikanten kunnen. Maar ook sneller dan regelgeving voor mogelijk houdt. Zo gaf hij eerder aan dat ondernemers als hij zitten te wachten op intelligente systemen die repeterende en eenvoudige gewashandelingen kunnen uitvoeren en verbaasde hij zich in een podcast in november 2021 over het gebrek aan vooruitgang van precisie wieden. “Wij hebben al vier jaar de wens om wortelonkruiden in kaart te brengen en vervolgens plaatsspecifiek te bestrijden. Dat gaat nog steeds niet in de gewassen die wij telen. Met name als het gaat om lelies.”

Zorgen om middelenpakket

Evenals in voorgaande jaren is er in 2021 voortgeborduurd op het verminderen van de toepassing van bodemherbiciden in de eerstejaars plantuien en lelies. Johan Booij van Wageningen University & Research (WUR) en NPPL-expert en begeleider bij Huetink paste daarvoor de standaard rekenregels voor het middel Stomp uit FarmMaps (voorheen Akkerweb) aan aan de omstandigheden op de percelen van Huetink.

Het doel is om de rekenregels voor de toepassing van middelen telkens aan te scherpen op basis van de variatie in percentages organische stof. Bij lagere percentages organische stof kan met minder middel worden gewerkt en in de loop der jaren is er vertrouwen ontstaan dat meer dan 100% van de standaarddosering toedienen bij hogere percentages organische stof geen nut heeft. De standaarddosering wordt dan ook als maximumdosering gehanteerd en de variatie in dosering is altijd naar beneden.

Booij: “Naast bodemherbiciden zitten er ook contactherbiciden in de mix die ook variëren op basis van de taakkaart. Bij Huetink is dit toepasbaar omdat hij een duidelijke relatie ziet tussen onkruiddruk en organisch stof op zijn percelen. Het toedienen van de mix herbiciden gebeurt op basis van taakkaarten en het werkelijke gebruik wordt nauwgezet bijgehouden.”
Uit de door Johan Booij opgestelde grafieken blijkt dat afgezet tegen de adviesdosering per perceel, in 2021 € 2 tot € 36 per hectare op middelengebruik is bespaard in lelies en € 2 tot € 39 per hectare in eerstejaars plantuien. Gemiddeld werd in 2021 € 17 (14%) in lelies en € 14 (25%) in uien bespaard. In uien is dat procentueel meer maar financieel minder dan in voorgaande jaren omdat er met een andere mix en doseringen van middelen is gewerkt. De besparingen lijken interessant maar er staan wel kosten voor het bodem scannen van ongeveer € 100/ha tegenover.

(tekst gaat onder grafiek verder)

Er is opnieuw bespaard op het gebruik van herbiciden. Per perceel varieert dit in eerstejaars plantuien van € 2 tot € 39 per hectare. Gemiddeld werd in 2021 € 17 (14%) in lelies en € 14 (25%) in uien bespaard. In uien is dit procentueel meer maar financieel minder dan in voorgaande jaren omdat er met een andere mix en doseringen van middelen is gewerkt.


In hoeverre het verminderen van de dosering bodemherbiciden effect heeft op de opbrengst van uien is niet bekend. Omdat de opbrengstmetingen met een weegcel onder de laatste klopper van de rooier zitten, zijn deze niet bruikbaar. Dit komt omdat de hoeveelheid tarra dankzij de natte oogstomstandigheden in de laatste jaren een vertekend beeld geeft van de daadwerkelijke opbrengst. Dit seizoen heeft Sjaak daarom zijn hoop gevestigd op opbrengstmetingen met visuele camera’s van de WUR.
Zoals veel andere telers maakt ook Sjaak zich zorgen over het resterende middelenpakket. “Voor uien is dat behoorlijk ingekrompen. Dit betekent dat we de beschikbare middelen efficiënter in moeten zetten. Wing-P moesten we afgelopen jaar bijvoorbeeld eerder toepassen en omdat dat middel onder invloed van vocht erg mobiel is in de bodem, geeft dit sneller kans op schade.”

Goede eerste indruk nieuwe gewassensor

In 2021 konden Huetink en een aantal andere telers ervaringen opdoen met de nieuwe gewassensor van het Grieks-Amerikaanse Augmenta. Dit bedrijf ontwikkelt een gewassensor die gemonteerd op de cabine van een trekker of zelfrijder maximaal 40 m breed ‘kijkt’ met een resolutie van circa één bij één meter. Importeur Vantage Agrometius stelde de sensoren ter beschikking. De sensor bepaalt op basis van de beelden van het gewas in hoge resolutie hoe groen en dus hoe goed een gewas ontwikkeld is. Door tijdens een spuitronde het gewas te scannen wordt de variatie in biomassa in kaart gebracht. Die kaart vormt de basis voor taakkaarten voor plaatsspecifiek variabele toediening van meststoffen.

Daarvoor moeten dan wel rekenregels beschikbaar zijn en bij gebrek aan specifieke regelregels voor de gewenste toepassing van Sjaak stelde Johan Booij evenals voor de toepassing van bodemherbiciden, ook rekenregels op voor het plaatsspecifiek variëren van de dosering van kunstmest in de plantuien en van vloeibare bladmeststof N-xt N18 in het gewas sedum. Daarbij geldt: hoe hoger de vegetatie-index, hoe lager de dosering meststoffen.

Vanwege de mogelijkheid om tijdens spuitrondes het gewas over de volle breedte te scannen en de goede resultaten met variabele toediening van meststoffen, is Sjaak onder de indruk van circa € 20.000 kostende Augmenta gewassensor. “Daarin zie ik zeker potentie omdat je in tegenstelling tot elke andere gewassensor de volledige breedte met een resolutie van één bij één meter in kaart kunt brengen. Dit seizoen hoop ik dat het lukt om de veldspuit rechtstreeks aan te sturen met de sensor, realtime dus. Dan kunnen we tijdens het bemesten direct variëren in dosering.”

Eveneens op de planning staan gewasmetingen in lelies om op basis daarvan fungicidendoseringen variabel aan te sturen. “Feitelijk gaat dat net zoals bij bemesten maar dan met omgedraaide/tegengestelde rekenregels”, geeft Johan Booij aan. “Bij meer biomassa zie je een geslotener gewas wat minder snel opdroogt en dat geeft meer kans op schimmels. Je moet dan meer fungiciden doseren.” Over het feit dat je dan vooraf niet meer weet hoeveel spuitvloeistof je aan moet maken, maakt Sjaak zich geen zorgen: “Dan spuiten we het laatste perceel simpelweg niet variabel.”

Andere wensen voor dit jaar zijn het vergelijken van gewasscans gemaakt met een drone en met de Augmenta sensor en Johan Booij adviseert om met de sensor ook eens van rijrichting te wisselen en dit waar mogelijk ook haaks op de richting van de zon te rijden. “Dan verneem je of en in welke mate lichtinval van invloed is op de metingen links en rechts van de trekker.”

(tekst gaat onder foto verder)

Dit seizoen hoopt Huetink de veldspuit rechtstreeks aan te sturen met de Augmenta sensor om tijdens het gebruik van vloeibare bladmeststof direct te variëren in dosering. Eveneens op de planning staan gewasmetingen in lelies om daarmee fungicidendoseringen variabel aan te sturen.

Beregenen met IrrigatieSignaal

Beregenen op maat blijft één van de andere speerpunten op de veelal zanderige huurpercelen van Huetink Bloembollen. Afgelopen jaar is daarbij ervaring opgedaan met de app IrrigatieSignaal van de WUR. Achter de app draait een waterbalansmodel en het model werkt volgens het principe van een badkuip (maar dan met meerdere in- en uitgangen). Breng de toevoer – ook qua beregening – en de afvoer in balans afhankelijk van onder meer de grondsoort (de mogelijkheid om water vast te houden) en de worteldiepte van het gewas.

Voor neerslagvoorspellingen maakt het model gebruik van informatie van IBM Weather (voorheen The Weather Company). “Binnen percelen zijn verschillende grondtypen te classificeren die zorgen voor verschillen in watervasthoudend vermogen en worteldiepte. Het beregeningsadvies verschilt daardoor in moment en hoeveelheid van beregenen voor elke plek. De aangetoonde verschillen binnen de percelen bieden zonder meer potentie voor plaatsspecifiek variabel beregenen. Iets wat Huetink graag wil proberen met het Raindancer systeem”, geeft Johan aan.

Voor dit jaar is het plan om GeoBas bodemvochtstations te plaatsen op de positie van de genomen referentie bodemmonsters van de bodemscan, om zodoende optimaal inzicht te krijgen in de bodemvochttoestand ter plaatse en de variatie in irrigatieadviezen.

Waterretentiecurves voor vijf bodemmonsters op een perceel. De bodemmonsters verschillen in het kritische aanvulpunt om te beregenen.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Door op “Plaats reactie” te klikken ga ik akkoord met
de gebruikersvoorwaarden en de Privacy Policy.