In zes stappen naar plaatsspecifiek sturen

door Kasper van Tilburg (WUR)

Akkerbouw

Geen enkel perceel is overal hetzelfde. Binnen een perceel kunnen verschillen voorkomen in bodem, vocht, nutriënten, gewasontwikkeling, onkruiddruk of de gevolgen van eerdere bewerkingen. Door met deze variatie rekening te houden, kan een toepassingen beter afgestemd worden op wat een specifieke plek nodig heeft. Maar waar begin je? Welke informatie heb je nodig? En hoe bepaal je of plaatsspecifiek sturen daadwerkelijk de juiste oplossing is?

Om hierbij te helpen heeft de WUR het proces in zes stappen uitgewerkt: van het herkennen en in kaart brengen van relevante variatie tot het kiezen, uitvoeren en evalueren van een plaatsspecifieke toepassing. Welke zes stappen zijn er?

Aanleiding en variatie herkennen

Plaatsspecifiek sturen begint met een aanleiding. Misschien zijn er terugkerende verschillen in gewasgroei, opbrengst of vochttoestand zichtbaar. Ook verschillen in bodemtype, ligging, gewasaanleg, onkruiddruk, schade of eerdere bewerkingen kunnen aanleiding zijn om een perceel gerichter te bekijken. De eerste vraag is daarom niet direct welke techniek of taakkaart nodig is, maar welk verschil binnen het perceel relevant is en waarop mogelijk gestuurd kan worden. (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Perceelskaart

Op basis van de bodemscans zijn perceelskaarten met de variatie in pH, organische stof, EC en hoogte gemaakt. Aan de hand hiervan zijn twee percelen plaatsspecifiek variabel bekalkt.

Meten en data verzamelen

Vervolgens moet duidelijk worden waar de variatie zich bevindt. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van bestaande gegevens, zoals satellietbeelden, dronebeelden, bodemkaarten en opbrengstdata. Ook waarnemingen in het veld en de eigen kennis over het perceel zijn belangrijke informatiebronnen. Wanneer bestaande informatie niet voldoende is, kunnen aanvullende metingen, scans of beelden worden verzameld. Het doel is om het verschil waarop mogelijk gestuurd gaat worden zo goed mogelijk in beeld te krijgen. (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Analyseren

Data alleen geven nog geen advies. In deze stap wordt onderzocht wat de waargenomen verschillen betekenen en waardoor ze worden veroorzaakt. Een afwijkende gewasstand kan bijvoorbeeld samenhangen met voeding, vocht of bodemstructuur. De oorzaak bepaalt mede welke maatregel passend is. Niet ieder verschil kan worden opgelost met een variabele toepassing. Een natte plek vraagt mogelijk om een oplossing in de waterhuishouding en structuurschade om een andere bodembewerking. De analyse moet daarom antwoord geven op de vraag: is plaatsspecifiek sturen hier werkelijk de juiste oplossingsrichting? (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Beslissen

Wanneer plaatsspecifiek sturen een mogelijke oplossing is, moet worden bepaald welk doel ermee wordt nagestreefd. Dat kan bijvoorbeeld een betere gewasontwikkeling, een efficiëntere benutting van middelen, minder schade of een lagere inzet zijn. Naast het agronomische doel spelen ook economische, praktische en strategische overwegingen een rol. Levert de aanpak voldoende op? Zijn de benodigde machines, kennis en tijd beschikbaar? En passen de verschillende systemen technisch bij elkaar? De uitkomst kan ook zijn dat de toepassing niet haalbaar of niet zinvol is. Ook dat is een waardevolle beslissing. (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Voorbereiden en uitvoeren

Na de beslissing volgt de vertaling naar de praktijk. Dit kan met een vooraf gemaakte taakkaart, maar ook met een sensor of machine die tijdens het werk realtime beslissingen neemt. Bij een taakkaart worden een databron en variatiekaart gekozen, zones bepaald en doseringen of behandelingen aan die zones gekoppeld. Daarna moet de kaart geschikt worden gemaakt voor de terminal en de machine. Bij realtime sturen zijn duidelijke beslisregels nodig voor continu variabel doseren of pleksgewijs aan- en uitschakelen. Het is verstandig om de kaart, terminal, licenties en machinekoppeling vóór de daadwerkelijke uitvoering te testen. (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Evalueren

Na uitvoering is het proces nog niet afgerond. Door het resultaat te evalueren, wordt duidelijk of de gekozen aanpak heeft gewerkt en wat een volgende keer beter kan. Daarbij gaat het onder andere om de vragen:

  • Klopte de waargenomen variatie
  • Had de toepassing het gewenste effect?
  • Was het verschil structureel of tijdelijk?
  • Moeten de zones of doseringen volgend jaar worden aangepast?
  • Welke gegevens moeten worden bewaard?

Bij onzekerheid kan een vergelijkingsstrook of kleine leerproef helpen om het effect van de aanpak beter te beoordelen. De evaluatie vormt daarmee ook het begin van een volgende cyclus. (Ga hier direct naar deze handleiding.)

Extra informatie:

Taakkaart platformen
Gebruik satelliet-dataportaal
Drone, satelliet en bodemscan aanbieders
Digitale tools zonder taakkaart