Telers onderzoeken variabel poten bij zetmeelaardappelen

In de wereld van zetmeelaardappelen krijgt variabel poten steeds meer voet aan de grond. Jans Klok volgt als coördinator Kennis en Ontwikkeling voor Avebe diverse experimenten en maakt met NPPL de balans op. “De grootte van de knollen zijn bij zetmeelaardappelen van ondergeschikt belang.”

In de basis werkt variabel poten met zetmeelaardappelen hetzelfde als bij andere aardappelsoorten zoals consumptieaardappelen en pootaardappelen, maar er is een groot verschil: bij zetmeelaardappelen zijn andere kenmerken van aardappelen van belang voor de teler.  Om voor zetmeelaardappelknollen de optimale afstanden te achterhalen, zijn een aantal telers die verbonden zijn aan zetmeelproducent Avebe aan het onderzoeken wat op hun percelen het beste werkt.

Experimenten op bescheiden schaal

Klok legt uit dat Avebe deze experimenten al sinds 2013 monitort. Met name met nieuwe zetmeelaardappelrassen wordt geëxperimenteerd, vertelt Klok. “Een aantal van onze telers is op bescheiden schaal bezig met variabel poten, het gaat dan met name om het gebruiken van een nauwere pootafstand naast de spuitpaden. Ook zijn er telers die een ruimere plantafstand gebruiken onder en naast een bomenrij, in verband met minder lichtinval.”

Vijftien stengels per meter optimaal

De focus bij de proeven ligt vooral op uitvinden van een optimale plantafstand tussen de knollen. De belangrijkste vraag die Klok met de proeven beantwoord wil hebben, is hoeveel stengels er per meter, per rij of per ras nodig zijn om een optimale zetmeel- en eiwitopbrengst te krijgen. Tot nu toe leerde hij in ieder geval één belangrijke les: dat vijftien gegroeide hoofdstengels per meter rij optimaal is. Met welke pootafstand die groei van vijftien stengels binnen een meter het beste bereikt wordt, varieert volgens Klok weer per ras en per sortering. Een ander punt valt hem ook op: “Onregelmatig poten geeft bij elk ras een lagere opbrengst. Hoeveel lager is afhankelijk van het ras.”

Kritiekpunten

Er zijn ook kritiekpunten, met variabel poten van zetmeelaardappelen gaat voorlopig nog niet alles zoals vooraf werd verwacht, vertelt Klok. “Bij de zetmeelaardappelteelt is de grootte en uniformiteit van de knol van ondergeschikt belang. Voor ons is de hoeveelheid droge stof en daarmee de zetmeel- en eiwithoeveelheid belangrijker.” Belangrijk bij zetmeelaardappelen is een juiste start en de juiste plantafstand om een goed aantal stengels per meter te behalen. Positieve punten zijn er volgens Klok ook: “De nauwere plantafstand naast de spuitpaden is ons goed bevallen.”

Meer onderzoek naar drogestofproductie

Wat Klok betreft is die nauwere plantafstand naast spuitpaden een aanrader voor alle telers. “En de ervaringen die opgedaan worden op basis van bodem kunnen helpen om de volgende stap te maken in teeltoptimalisatie.” Hij hoopt dat er nog meer onderzocht kan worden, en dan me name in hoeverre de drogestofproductie en het rendement van de teelt van zetmeelaardappelen op de zand- en dalgronden verhoogd kan worden.

Avebe heeft met variabel poten in de teelt van zetmeelaardappelen meerdere doelen voor ogen, besluit Klok. “Uiteindelijk willen we rendementsverbetering in de teelt van zetmeelaardappelen voor elkaar krijgen. Dat kan met een hogere zetmeel- en eiwitopbrengst per hectare, maar ook in lagere kosten, in combinatie met het verminderen van de CO2-emissie en het verlagen van de milieubelasting.”   

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Door op “Plaats reactie” te klikken ga ik akkoord met
de gebruikersvoorwaarden en de Privacy Policy.

Dashboard