Bij de aanschaf zijn vooral vier dingen belangrijk.
– De strooier moet een taakkaart kunnen lezen. Dat gaat via ISOBUS met een terminal die variabel doseren ondersteunt. Vraag ook welke bestandsformaten de terminal accepteert, en of dat past bij het platform waarin jij of je loonwerker de kaart maakt. In de praktijk loopt het hier het vaakst mis.
– De gift moet tijdens het rijden nauwkeurig veranderen. Weegcellen helpen daarbij: de strooier controleert dan zelf of hij strooit wat de kaart vraagt, ook als de kunstmest anders loopt dan verwacht. Let ook op hoe snel hij reageert op een overgang tussen zones.
– Hoe fijn kan hij schakelen? Hoe meer secties, hoe beter de strooier zich aan wiggen, kopakkers en randen aanpast. Daar zit vaak al een groot deel van de besparing, nog voordat je variabel gaat doseren.
– Een goed GPS-signaal. Sectieschakeling en zonegrenzen zijn zo nauwkeurig als de positie van de trekker. Met RTK haal je het meeste uit de strooier.
Is een schijvenstrooier dan nog de juiste keus? Voor de meeste akkerbouwers wel. Moderne schijvenstrooiers zijn de afgelopen jaren veel nauwkeuriger geworden: meer secties, weegcellen, en soms een automatische controle van het strooibeeld. Je moet wel weten waar de grens ligt. Een schijvenstrooier werpt de korrels over een brede baan en de stroken overlappen. Een overgang tussen zones is daardoor nooit messcherp. Voor bodemzones en gewaszones die geleidelijk verlopen, is dat geen probleem.
Een pneumatische strooier verdeelt nauwkeuriger en minder windgevoelig, met kleinere secties. Daar staat tegenover dat hij duurder is, een kleinere capaciteit heeft en meer onderhoud vraagt. Wil je echt precies bij de plant bemesten, dan kom je uit bij rijenbemesting tijdens het zaaien of poten. Dat is een andere manier van werken, geen andere strooier.