Groenbemesters vangen altijd stikstof

16 June 2026 door Janet Beekman (tekst)

Akkerbouw Bodem – Biodiversiteit – Teeltsysteem

Inzaai van een groenbemester heeft bijna altijd zin. Ook bij late zaai, want een groenbemester neemt altijd stikstof op en werkt positief op de bodemstructuur. Een winterharde groenbemester die laat is gezaaid en tot eind maart blijft staan, voorkomt ook N-uitspoeling in het voorjaar. De volgteelt kan deze stikstof benutten.  

In de PPS Groenbemesters loopt onderzoek naar effecten van inzaaimoment, inwerkmoment en inwerkmethode van groenbemesters op bodemstructuur, bodembiologie, opbrengst, onkruiddruk, zieken en plagen, stikstofopname en biodiversiteit. ‘Resultaten van dit onderzoek gaat telers helpen om groenbemesters optimaal in te zetten in hun bouwplan’, zegt WUR-onderzoeker Maria-Franca Dekkers tijdens de Vraag-maar-raak sessie Meer uit groenbemesters halen. ‘En om de positieve effecten van groenbemesters goed te benutten.’ Hoe eerder telers een groenbemester kunnen inzaaien, hoe groter de voordelen zijn van de groenbemesters. ‘Bij vroeg zaaien, kan een groenbemester zich beter ontwikkelen, meer stikstof opnemen en meer effectieve organische stof aanbrengen in de bodem.’ Een goed ontwikkelde groenbemester neemt 80 kilo N/ha op en een kleine groenbemester 40 kilo N/ha. ‘Maar er zijn ook nadelen. Een vroeg gezaaide waardplantgroenbemester heeft ook een groter effect op vermeerdering van schadelijke aaltjes.’

‘Bladrammenas als groenbemester neemt meer dan 150 kilo stikstof per hectare op.’ (Maria-Franca Dekkers)

Late inzaai groenbemester

Bij een late oogst komen percelen soms pas midden oktober/begin november vrij. Als er in februari of maart een nieuw gewas wordt gezaaid, is de teelt van een groenbemester minder effectief om stikstofuitspoeling te voorkomen. ‘De periode voor een goede ontwikkeling van een groenbemester is dan vaak te kort. Maar dat hangt ook wel sterk af van het weer en de omstandigheden in het najaar. Als de groenbemester tot minstens eind maart blijft staan en winterhard is, voorkomt het ook N-uitspoeling door voorjaarsneerslag’, zegt Dekkers. Bij stijgende temperaturen komt stikstof vrij voor de volgende teelt uit mineralisatie van ondergewerkte plantresten. Bij hoge Nmin-gehaltes in de bodem in het najaar, bijvoorbeeld als gevolg van te late bijbemesting of hoge mineralisatie na gescheurd grasland is de teelt van bladrammeras een optie. ‘Uit proeven in Lelystad blijkt dat bladrammenas veel stikstof opneemt, meer dan 150 kilo N per hectare. De Nmin na de oogst is een goede indicator voor de hoeveelheid stikstof die beschikbaar is voor de groenbemester.’

Inwerkmoment – en methode

Tijdig inwerken van een groenbemester is van belang voor een tijdige mineralisatie van een groenbemester, zodat gewassen in het voorjaar hieruit voldoende stikstof kunnen opnemen. ‘Alle gewassen hebben namelijk een stikstofopnamepiek een bepaalde periode na het zaaien of poten. Daarna vlakt de N-opname af. Na de bloei nemen gewassen nog heel weinig stikstof op, waardoor bijmesten na de bloei niet zinvol is.’ Minder intensief inwerken van groenbemesters heeft nauwelijks effect op de biomassaproductie van groenbemesters, maar werkt wel licht positief op de biodiversiteit. ‘Bij niet-kerende grondbewerking zie je vaak wel een hogere onkruiddruk en hogere indringingsweerstand. Dat laatste is niet altijd negatief, het kan ook meer draagkracht betekenen.’ Het laat inwerken van een groenbemester met nkg hoeft niet negatief te werken op een goede zaaibedbereiding. Dekkers: ‘Er zijn niet altijd extra bewerkingen nodig, maar bij grasachtige groenbemesters kan dit met nkg wel tot een teveel aan gewasresten leiden. Dat kan bij inzaai van fijnzadige gewassen de kieming verstoren.’

Overall was er veel belangstelling voor de vraag-maar-raak-sessies tijdens de Akkerbouwdag 2026.

Voor- en nadelen groenbemestermengsels

Een mengsel heeft vaak net zo’n hoge biomassaproductie dan een goed geslaagde enkelvoudige groenbemesters, zoals Japanse haver of bladrammenas. ‘Een mengsel geeft wel meer risicospreiding, iets doet het altijd wel. En een mengsel is beter bestand tegen klimaatverandering, want boven- en ondergrondse plantstructuren vullen elkaar aan’, zegt Dekkers. De bodem is vaak sneller en langer bedekt en dat werkt tegen onkruiden. De grotere variatie in wortelpatroon geeft een betere structuur, waterhuishouding en N-opname in meer lagen. ‘En er is meer variatie (voedsel en schuilplek) voor biodiversiteit over verschillende periodes in de winter. Vlinderbloemigen voegen stikstof aan het systeem toe, waardoor de bemesting omlaag kan.’ Nadelen van mengsels zijn een hogere ziekte- en plaagdruk als er waardplanten in het mengsel zitten en verschillende zaaidieptes is lastig. Mengsels zijn duurder en er is meer risico op ontmenging van zaden. Dekkers tot slot: ‘Een mengsel kan het bodemleven in totaal stimuleren, waardoor de weerbaarheid omhoog kan gaan en de schadedrempel lager is. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen waar de balans ligt.’