‘Data zijn een hulpmiddel, niet meer’

26 June 2026 door Peter Visser (tekst), Peter Roek (beeld)

Fruitteelt Autonomie – Arbeid – Robotisering Data – Beslissen – Sturing Precisie – Variabel – Minder input

Fruittelers Martijn en Thijs Vogelaar meten in peer de biomassa van de bomen en voerden dit voorjaar een bloesemtelling uit. Dit gebeurt digitaal, resulterend in boomspecifiek wortelsnijden en boomspecifiek bloesemregulerend spuiten. ‘Het is een hulpmiddel, want je hebt ook te maken met variabelen waarop je geen invloed hebt.’

‘We staan vaak wel vooraan als zich nieuwe ontwikkelingen aandienen, om te weten wat het inhoudt en ook wel om ermee aan de slag te gaan,, vertelt Thijs Vogelaar aan de tafel in de kantine. Het is de derde week van mei, en de zoveelste regenachtige dag op een rij. Volgens de verwachtingen slaat het binnen enkele dag om richting heet en vooral droog weer. vader Martijn Vogelaar zit naast hem en knikt bevestigend. ‘We zijn al wat langer bezig met robotisering. Soms gaat dat meteen goed, een andere keer loop je tegen onverwachte kinderziektes aan en ben je meer tijd en kosten kwijt dan de bedoeling. Maar je leert er ook enorm veel van.’

Bedrijfsgegevens

Vogelaar Fruitcultures VOF in Krabbendijke
175 ha waarvan 15 ha bio
Peer: circa 80 ha Conference, 20 ha Xenia
Appel: totaal 12 ha waaronder 5 ha Morgana en Delcorf
Eigen koeling (Fruvo bv)
Sorteren en verkoop: grotendeels in eigen beheer. Morgana afzet via Fruitmasters, Xenia via Xenia Europa.

Van boomgaard tot bord

Het is vanuit deze instelling dat hun bedrijf Vogelaar FruitCultures  deelneemt aan het project ‘NextGen Boomgaard tot Bord’ en daarop aansluitend aan NPPL+R (Nationale Proeftuin Precisielandbouw + Robotisering). Het Next Gen-project richt zich op het verzamelen met camera’s en sensoren van groei- en teeltdata in de boomgaard die meerwaarde kunnen hebben voor de productie en afzet. De volgende stap is de vertaling van die data in gerichte teeltmaatregelen onder begeleiding van WUR-expert Pieter van Dalfsen. NPPL+R heeft als doel om de opgedane kennis en ervaringen te volgen en te toetsen en te verspreiden onder collega-fruittelers. 

Martijn en Thijs Vogelaar. Vogelaar werkt met een spuitmachine waarmee -op basis van een taakkaart- bomen individueel wel of niet behandeld kunnen worden.

Boomspecifiek behandelen

Objectieve teelt- en groeidata zijn bijvoorbeeld te gebruiken voor boomspecifiek bemesten en boomspecifieke gewasbescherming. Martijn Vogelaar: ‘Daarmee zou je kunnen besparen op middelen, maar het gaat er uiteindelijk om een uniforme aanplant te realiseren met een gemiddeld hogere productie dan wanneer je elke boom op dezelfde manier zou behandelen.’ Het bedrijf beschikt over een (3 rijige) spuitmachine van Munckhof, waarmee boomspecifiek gespoten kan worden: per boom dus, door afzonderlijke secties op de spuitboom steeds open of dicht te zetten. Martijn: ‘Nog een stap verder is als je de middeldosering per boom zou kunnen variëren, of zelfs de afgifte boven- en onderin een individuele boom. Wil je bijvoorbeeld een schimmel aanpakken waarvan de ontwikkeling afhankelijk is van vochtigheid, is denkbaar dat je onderin een boom wat meer doseert dan bovenin. Dat kan wel met een spuitmachine met snel pulserende PWM-doppen, zo’n machine wordt voor ons de volgende stap.’

De treescan is een momentopname die je helpt bij het nemen van een teeltbeslissing, pas later weet je hoe die beslissing echt uitpakt

Boomspecifiek bloesemhoeveelheid reguleren

Terug naar de huidige situatie bij Vogelaar en de focus van NPPL. De dataverzameling in de boomgaard gaat hier met het Treescout camerasysteem van Aura Imaging. Dit detectiesysteem is opgebouwd op een maaitrekker die dit voorjaar is ingezet voor het tellen van het aantal bloemclusters per boom. Het achterliggende doel is om het aantal vruchten per boom te reguleren: te veel bloesem kan te veel vruchten opleveren, die klein blijven. Te weinig bloesem geeft te weinig vruchten die te grof kunnen worden. Uit de data volgde een taakkaart voor de aansturing van de spuitmachine waarmee op 7 april een bloesemregulerende bespuiting werd uitgevoerd. De test ligt in het perenras Xenia op vier hectare. Twee hectare hiervan is op de standaard wijze aan de hand van fysieke waarneming behandeld, de andere helft wordt gestuurd op de data uit de Treescout. Vogelaar koos voor peer omdat de bloesemregulatie hierin wat lastiger is dan in appel. De proefoppervlakte bleef beperkt om de benodigde tijd voor het scannen en aanvullende werkzaamheden te beperken. Thijs: ‘Het werken met de Treescout is voor ons nog redelijk onbekend. Maak je een instelfout waardoor de bloemtelling niet goed gaat, dan moet je de scanronde opnieuw doen. Dat bleek uiteindelijk ook nodig. Bovendien mag je niet harder rijden dan zeven kilometer per uur, dat schiet niet echt op.’ Dit tijdverlies is te omzeilen met een trekker die zelf zijn weg in de boomgaard kan vinden, op gps. ‘We hebben zo’n IQuus robottrekker op ons bedrijf om mee te maaien, die doet het prima in percelen die ook met gps zijn aangelegd, met voldoende ruimte aan het eind van elke werkgang. Het huidige testperceel voldoet daar niet aan.’ Nog een aspect met de Treescout gaat over de betrouwbaarheid van de bloesemteling. Vogelaar: ‘Het aantal fouten in peer lijkt wat groter dan in appel. Uit bloemclustertellingen van WUR bleek dat de telling dit voorjaar voor zo’n 85 procent klopte, dat zou beter moeten. Je ziet echter wel dat de camera’s en software elk jaar verbeteren.’

De wortelsnijder met een mes wordt met een taakkaart per boom aangestuurd.

Van data naar teeltbeslissing

De omzetting van de door de Treescout verzamelde data naar voor de spuitmachine geschikte taakkaarten gaat eenvoudig in de portal van Aurea Imaging. De kunst is wèl om die data te vertalen naar wat er werkelijk in het gewas te zien is, en wat er wel (of niet) moet gebeuren. Ofwel welke bomen moeten wel bloemregulerend gespoten worden, en welke niet? En moet dat dan met een middel dat het aantal bloemen vermindert, of met een middel dat de kans op bloembevruchting bevordert?  Dit is een agronomische keuze, ofwel een echte teeltbeslissing op basis van vakmanschap en ervaring. Martijn: ‘En bedenk dan dat je deze beslissing maar een keer in een jaar kunt nemen, waarbij je ook afhankelijk bent van allerlei teeltbeïnvloedende factoren waarop je geen enkele vat hebt.’ Thijs: ‘We hebben de resultaten van de bloesemtelling onderverdeeld in twee groepen. Uit de bloesemkaart kwam naar voren dat 78 procent van het gescande bomen minder dan 130 bloemclusters per boom had. Dat was een gevolg van de zware vruchtdracht vorig jaar. Met zo weinig bloesem heb je iedere bloem hard nodig, dan ontkom je niet aan een de vruchtzetting bevorderende bespuiting. We hebben gespoten met gibberelline, dat stimuleert de groei van de pollenbuis en daarmee de bevruchtingskans. Het deel van het testperceel waar we de bloesem traditioneel fysiek hebben geteld, is volledig gespoten.’

Wijsheid achteraf

In de derde week van mei, zes weken na de giberellinebespuiting, stellen vader en zoon Vogelaar vast dat het beter is om alle bomen te behandelen. Martijn: ‘Maar dat is wijsheid achteraf. De treescan is immers een momentopname die je helpt bij het nemen van een teeltbeslissing: pas later weet je hoe die beslissing echt uitpakt. Zoals ik het nu zie, lijkt de standaardaanpak zelfs wat beter te zijn geslaagd. Dunnen op taakkaart was in dit jaar in dit perceel in elk geval niet nodig.’

Wortelsnijden per boom

Behalve voor het tellen van bloemclusters kan de Treescout ingezet worden het scannen van de vruchtdracht en van de biomassa. ‘Die vruchtdrachtscan zou idealiter na de langste dag uitgevoerd kunnen worden, dat geeft dan al vroegtijdig een eerste indicatie over hoe de oogst zal zijn. Dat is kennis waar je wat mee kunt, bij de oogstplanning, en voor de afzetstrategie. Wellicht kun je besluiten om bijvoorbeeld acties vroeger of later te plannen.  Vorig jaar lukte die vruchtdrachtscan met de Treescout echter nog niet omdat de peren nog niet goed herkend werden, dit seizoen zou dat wel moeten lukken.’

Vorig seizoen kon al wel een biomassascan op het testperceel worden uitgevoerd, dat geeft inzicht in de groeikracht van elke individuele boom en daarmee in het productievermogen. Ook hiervoor geldt het streven naar een uniforme groei. Normaal en te zwak groeiende bomen bleven ongemoeid. De bewerking werd uitgevoerd met een wortelsnijder met een mes dat aan de hand van een taakkaart per boom werd aangestuurd. Daarnaast werd nog een proefje opgezet in een klein aantal zwak groeiende bomen. Hiervan werden de wortels voor vijftig procent gesneden. Wellicht worden deze bomen door de behandeling nog zwakker, of de tik die ze krijgen vanwege het beperkt wortelsnijden zorgt ervoor dat ze juist gaan opknappen. Thijs: ‘Mogelijk is dit jaar – weer met de Treescout- meetbaar wat het effect is van wel of niet wortelsnijden. Maar misschien is dat nog te vroeg. Daarom is belangrijk dat we de scangegevens van opeenvolgende jaren op elkaar kunnen leggen. Dan ga je waarschijnlijk echt structurele verschillen tussen individuele bomen zien en kun je daarop teelttechnisch beter sturen.’ (Zie ook artikel en video: Datagedreven wortelsnoei brengt uniformiteit in de boomgaard.)

Data helpen alleen

De hamvraag: is digitaal scannen en digitale teeltsturing praktijkrijp? Martijn: ‘Voor appels wel, denk ik. Voor peer is nog even te vroeg door het ontbreken van voldoende data om daar altijd goed gefundeerde teelttechnische beslissingen op te baseren. Nog een aspect is dat je met buitenteelten te maken hebt met de teelt beïnvloedende factoren waaraan je weinig of niets kunt doen. Voorbeeld. Hier in Krabbendijke zitten we in een gebied waar water relatief schaars is. In een droge periode kan het gebeuren dat daardoor meststoffen onvoldoende beschikbaar komen. Daar kun je op dat moment weinig aan veranderen. Zoals ik al opmerkte: data zijn een mooi hulpmiddel bij teelten als op ons bedrijf, maar meer mag en kan je er niet van verwachten. Vakmanschap blijft belangrijk om data om te zetten in de juiste actie.’

Reflectie WUR-expert Pieter van Dalfsen: ‘Nog te vroeg’

Een belangrijk aspect in deze casus is het leren werken met bloesem- en groeikrachtkaarten. Telers zijn gewend om te beslissen op boomgaardniveau. Met precisiefruitteelt kun je verschillende deelgroepen maken binnen de boomgaard. Wat zijn dan de optimale actiedrempels per deelgroep om taakkaarten op te maken? Ook moet er nog een vertaling gemaakt worden van de waarden uit de Treescout naar de werkelijke situatie. De Treescout kan niet elke bloemcluster zien. Bij Vogelaar bleek bijvoorbeeld dat zestig door Treescout gedetecteerde bloemclusters overeenkwam met gemiddeld 130 bloemclusters werkelijk. WUR helpt hierbij door steekproefsgewijs in bomen ook met de hand bloemclustertellingen uit te voeren en goede actiedrempels te kiezen. In de loop van de tijd bouw je kennis op om het verder te optimaliseren. Het maken van de taakkaarten kan de teler eenvoudig zelf in de portal van Aurea Imaging. In dit geval heeft WUR geholpen, omdat er gelijk een proef in aangelegd is. Ik vind het nog vroeg om conclusies te trekken of de strategie op bloesemkaart heeft gewerkt. Ik ben heel benieuwd naar het resultaat bij de oogst. Dan weet je wat het sturen op data echt heeft opgeleverd.