Niet bang om fors terug te gaan in middelengebruik

NPPL-deelnemers Pieter en Jan Pieter Evenhuis kijken terug op een jaar waarin ze stappen zetten die potentie bieden voor dit jaar. Ze hopen een geschikte bodemscanner te vinden en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verder te reduceren.

Sinds de start van hun deelname aan de Nationale Proeftuin Precisie Landbouw (NPPL) in 2020 zijn vader Pieter en zoon Jan Pieter Evenhuis nog actiever op zoek naar de best passende manieren en methodes om informatie te krijgen over de variatie in de bodem, in het gewas en in de onkruid- en ziektedruk. Niets bijzonders voor akkerbouwers zou je zeggen.

Hun wens om mede dankzij het project technologie en kennis aangereikt te krijgen, krijgt telkens beter vorm maar ze zijn nog niet waar ze willen zijn. Hun veeleisendheid – eigenlijk de wens om met bruikbare technologieën en data aan de slag te gaan die ook daadwerkelijk geld opleveren – blijkt in de praktijk wel eens een obstakel.

Ruwe data

Zo wil met name Pieter toegang tot de ruwe data van bodemscanners om zelf conclusies te kunnen trekken in plaats van dat de fabrikanten dat doen. Jan Pieter wil juist snel de ruwe data hebben om op basis daarvan tijdig taakkaarten te kunnen maken voor hemzelf en voor de medewerkers. “Als je een week voordat het voorjaar losbarst alle taakkaarten nog moet maken, dan ben je te laat”, betogen beiden. “Dan heb je te maken met zoveel stress rondom de seizoenstart en kun je er geen zaken zoals taakkaarten maken bij hebben. Ook al wil je dat nog zo graag. Helaas gaan plannen daardoor wel eens de mist in. Iedere akkerbouwer zal dat herkennen.”

Bodem- of hoogtekaart?

Evenhuis probeerde een aantal bodemscanners uit om inzicht te krijgen in de variatie in de bodem van de talloze percelen die het bedrijf jaarlijks huurt en bewerkt. Pieter: “We willen nog altijd graag de bodem in kaart brengen tijdens de hoofdgrondbewerking, tijdens het ploegen. Het gaat ons daarbij met name om variaties in organische stof en pH. Het bepalen van EC-waarden (geleidbaarheid) levert niet de informatie op die wij willen. De vochttoestand van de bodem en het moment van meten vinden wij te bepalend voor de uitkomsten van die metingen.”

Evenhuis probeerde de SoilXplorer van CNH Industrial maar “daarbij blijft het lastig om de meetwaarden tijdig te verwerken in bruikbare informatie en taakkaarten voor plaatsspecifiek variabel toedienen van kalk, compost uit natuurgras en van meststoffen.” Omdat een separate werkgang niet wenselijk is, wil Evenhuis geen bodemscan als aparte bewerking. “In de Veris iScan, een bodemscanner die je op een grondbewerkingswerktuig kunt monteren, zie ik wel mogelijkheden maar die brengt dan weer geen pH in kaart”, aldus Pieter.

Afgelopen jaar is ervaring opgedaan met de mogelijkheden van de bodemscanner van Loonstra & van der Weide die door loonbedrijf Van der Stelt wordt gebruikt tijdens het uitrijden van kali. “Die sensor biedt wat ons betreft potentie maar ook daarvoor geldt dat wij inzicht willen hebben in de meetwaarden, de ruwe data, zodat we zelf snel en eenvoudig conclusies kunnen trekken. Temeer omdat de kali een week voor het aardappelen poten wordt uitgereden. Prioriteit heeft wat ons betreft de variatie in organische stof zodat we de dosering granulaat tegen aaltjes daarop af kunnen stemmen. De pootafstand variëren vind ik momenteel minder van belang. Temeer omdat de elektronica van onze aardappelpootmachine moeite heeft met het tegelijkertijd verwerken van twee verschillende taakkaarten (granulaat en pootafstand). Ook speelt mee dat het middel Nemathorin z’n nevenwerking op ritnaalden begint te verliezen op het moment dat wij het nodig hebben.” Dit jaar wil Evenhuis daarom 20 ha laten scannen door Van der Stelt.

“Tot op heden beoordeel ik vooral de hoogtekaarten en RGB-waarden (de kleur en daardoor zwaarte van de grond) van de percelen in Dacom Cloudfarm en maak ik op basis daarvan en op basis van ervaring taakkaarten voor variabele doseringen van onder meer bodemherbiciden”, geeft Jan Pieter aan. “Het gebruik van algoritmes daarbij schrikt ons toch wat af omdat je niet weet wat er in zo’n black box allemaal gebeurt en op basis van welke data dat gebeurt.”

30 tot 80% middel bespaard

Hoewel de kennismaking met plaatsspecifieke bespuiting van aardappelopslag in suikerbieten afgelopen jaar in eerste instantie tegen leek te vallen, pakt die aanpak toch dusdanig goed uit dat Evenhuis er dit jaar opnieuw mee aan de slag wil. Vorig jaar liet Evenhuis op twee bietenpercelen de aardappelplanten met een drone in kaart brengen door Dronewerkers. Jan Pieter: “Hun algoritme behoefde nog wat aanscherping omdat niet elke geïdentificeerde aardappelplant er daadwerkelijk ook eentje was en de zogenoemde as applied kaart, de perceelskaart met uitgevoerde bespuitingen en doseringen, deed vermoeden dat de veldspuit de doppen niet op de juiste positie in- en uitschakelde. Dit bleek echter een technische oorzaak te hebben want het ging enkel om foutieve registraties van gps-posities van de doseringen.” Door het variabel behandelen van aardappelopslag bespaarde Evenhuis 80% op het gebruik van het middel Lontrel 100. “En ik verwacht dat we zelfs terug kunnen naar 10% ofwel 90% kunnen besparen”, zegt Pieter.

(tekst gaat onder foto’s verder)

De door een drone in kaart gebrachte aardappelopslag in een perceel suikerbieten in beeld. In werkelijkheid stonden er minder aardappelplanten.

Loofdoden

Bij wijze van proef maakte de nieuwe NPPL-expert en begeleider namens Wageningen University & Research (WUR) Andries van der Meer, taakkaarten voor het variabel toedienen van loofdodingsmiddel Quickdown in consumptieaardappelen. Daarvoor bracht een WUR-medewerker met een drone een drietal percelen in kaart. “Op basis van de WDVI-waarden, gewasindex-waarden die de hoeveelheid biomassa, de hoeveelheid loof, aangeven heb ik in FarmMaps (voorheen Akkerweb) met WUR-rekenregels taakkaarten gemaakt voor de toediening van Quickdown. Ook hierbij wat gedoe met gps-posities doordat de aangeleverde multispectraalbeelden nog niet goed uitgelijnd waren en daardoor handmatig moesten worden uitgelijnd met de controlepunten op de grond. Voor akkerbouwers is het niet realistisch dat ze dit zelf doen.”

https://www.proeftuinprecisielandbouw.nl/app/uploads/2022/03/07-IMG_1954_lr.jpg

Op de taakkaarten werd 68% van de standaarddosering van 0,8 l/ha Quickdown als ondergrens ingesteld en 95% als bovengrens. Gemiddeld bespaarde Evenhuis hiermee 30% op het gebruik van Quickdown. Ook legde Van der Meer een aantal zorgvuldig gekozen proefstroken aan met vakken van 6 bij 6 m waarop de dosering trapsgewijs terugliep van 100% naar 20%. Die stroken zijn na de behandeling visueel gecontroleerd. De resultaten zijn voor Evenhuis aanleiding om dit jaar opnieuw loofdodingsmiddelen variabel toe te willen dienen. Pieter daarover: “We waren afgelopen jaar wat te laat. Het moment van vliegen hoort eigenlijk het moment van spuiten te zijn. Als we daar dit jaar in slagen, dan kunnen we zeker verder terug dan 68% van de standaarddosering.”

Dit jaar eerder en sneller


WUR-onderzoeker Andries van der Meer

WUR-onderzoeker precisielandbouw Andries van der Meer (28) begeleidt Evenhuis sinds afgelopen najaar vanuit het NPPL-project. “Deze zomer ga ik samen met hen een aantal aardappelpercelen selecteren waarop we in september loofdodingsmiddelen variabel kunnen gaan doseren. Er is dan nog voldoende tijd om plannen te maken en om op het juiste moment een drone te laten vliegen om de biomassa, het aanwezige loof, in kaart te brengen. Zonder extra risico’s op phytophthora. Evenhuis geeft aan dat ze de ondergrens sowieso willen verlagen van 55% van de standaarddosering naar 40% en misschien zelfs wel naar 20%. Hoe ver kunnen we (terug) gaan is waar het daarbij om draait en dat gaan we met proefstroken onderzoeken.”

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Door op “Plaats reactie” te klikken ga ik akkoord met
de gebruikersvoorwaarden en de Privacy Policy.