Sterenborg: veel geleerd, ook over wat niet nuttig is

poten aardappelem

Nanne en Gert Sterenborg hebben wederom een jaar achter de rug waarin veel precisielandbouwactiviteiten plaatsvonden. Sommige binnen NPPL en sommige ook niet. Vast staat dat er weer veel geleerd is over wat wel kan en wat niet kan of lukt.

Als je met Nanne en Gert Sterenborg en hun WUR-expert en NPPL-begeleider Johan Booij spreekt, dan ben je verzekerd van veel interesse, input en activiteiten op het gebied van precisielandbouw. Corona of geen corona! Zo is er ook in 2020 weer van alles gebeurd en wel tot op de vierkante centimeter.

Wisselend beeld bij variabele pootafstanden

In het kader van de Nationale Proeftuin Precisielandbouw (NPPL) en Het Nationaal Programma Groningen (NPG) doet akker- en pluimveebedrijf Sterenborg in Onstwedde (Gr.) mee aan een onderzoek naar de ideale pootafstand per zetmeelaardappelras. Hiertoe is telkens bij negen telers op één perceel een bodemscan uitgevoerd met een Veris iScan Flex. Deze meet de geleidbaarheid (EC) van de bodem in de bovenste 60 cm en het percentage organische stof met een NIR-sensor. “Als ik met de hand een kaartje moet tekenen van de geleidbaarheid (vocht) en het organische stofpercentage van dat perceel, dan ziet dat er hetzelfde uit als de perceelskaart van de Veris iScan”, zegt Nanne Sterenborg. Hetzelfde perceel was bij Sterenborg in 2016 ook gescand met een Veris MSP3-scanner die extra functionaliteiten heeft.

Aaltjesonderzoek

Uit een analyse van Eurofins Agro voor aardappelcystenaaltjes en vrijlevende aaltjes bij een vlakkenbemonstering op het perceel bleek dat er geen besmettingen waren. Nanne: “Het verbaasde ons zeer dat Eurofins zo positieve monsteruitslagen had, zeker gezien de historie van het perceel.” Hierdoor werd de keuze gemaakt om het ras Axion te poten. Na een kiemproef is op basis van 4,2 kiemen per knol een standaard pootafstand van 27,9 cm en een variatie van -25% (21 cm) en +25% (35 cm) bepaald.
Alle drie pootafstanden zijn zowel op het humeuzere deel van het perceel (dalgrond) als op het zanderiger deel van het perceel toegepast en geëvalueerd met proefrooiingen en opbrengstmetingen op de aardappelrooier. Uit dit laatste blijkt een correlatie tussen de hoogte van de EC van de bodemscan (<8 = zandgrond, >8 = dalgrond) en het opbrengstniveau. “Deze EC geeft in zekere mate de opbrengstpotentie aan. De EC wordt beïnvloed door organische stof, vocht, nutriënten en dichtheid van de grond.”, zegt Johan Booij.

Opbrengst

Gemiddeld ligt de opbrengst op zandgrond met 50 ton/ha zo’n 3.5 ton/ha lager dan op dalgrond met 53.5 ton/ha. Wel opvallend is dat op basis van de proefrooiingen geen eenduidige conclusies getrokken kunnen worden over een relatie tussen EC-waardes, pootafstand en opbrengstniveau, terwijl dat op basis van de opbrengstmetingen met de aardappelrooier wel het geval lijkt. “Althans op de humeuzere perceelsdelen. Op het zanderige deel is er weinig verschil in opbrengst tussen de drie pootafstanden”, geeft Gert Sterenborg op basis van grafieken aan.

(tekst gaat onder foto en grafieken verder)

opbrengstkaart
opbrengst dal- en zandgrond
Opbrengst bij zand- en dalgrond. Op het zanderige deel is er weinig verschil in opbrengst tussen de drie pootafstanden

 “Op dalgrond zie je dat nauwer poten, 21 cm, de hoogste opbrengst oplevert. Dat lijkt wel een trend want we zien het ook op andere percelen en in andere gewassen zoals suikerbieten.”

Nanne relativeert de uitkomsten wel enigszins: “De basis voor het slagen van proeven is de opzet ervan. Het proefperceel is een wat probleemperceel en de basis voor de variatie in pootafstand, de uitslag van het aalenonderzoek, zaaide al wat twijfel.”

Johan Booij: “Op basis van de kiemtest kwam er gemiddeld 28 cm als pootafstand uit om 15 stengels per meter te realiseren voor het ras Festien. Feit is dat veel praktijkdata, veel uitgangspunten, zoals aaltjesonderzoek, kiemproeven en opbrengstdata niet altijd voldoende nauwkeurig zijn door gebruikte (sensor)techniek of het aantal monsters per perceel. Hoe meer metingen je doet, hoe beter je beeld wordt. Wel kunnen we concluderen dat bodemscanners die de EC-waarde meten, geschikt zijn om op zandgrond een indicatie van de opbrengstpotentie te geven.”

(tekst gaat onder grafiek verder)

opbrengstmonitor rooier

Rassenkeuze belangrijker dan zaaiafstand

Elk jaar doet Sterenborg proeven met variabele zaaiafstanden in suikerbieten. Dat gebeurt meestal op enkele percelen maar voor komend seizoen wil Nanne op elk perceel proefstroken aanleggen. Eén van de proefpercelen bevat heel veel variatie in ‘grondslag’ en daarin waren de proefstroken van 2 bij 4 m afgelopen jaar heel bewust gekozen om variatie in zaaiafstand en het effect van verschillende rassen te kunnen analyseren. “Juist bij het rooien van de proefstroken gaf het opbrengstmeetsysteem op onze rooier problemen. Het opbrengstniveau nam steeds verder af terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Hierdoor hebben we helaas onvoldoende betrouwbare opbrengstinformatie om conclusies te kunnen trekken. Want als zo’n systeem weigert, stop je niet met rooien.” Van een ander perceel met minder variatie in de bodem zijn wel goede opbrengstdata maar daarin zijn de verschillen beperkt.

Niettemin trekt Nanne waardevolle conclusies: “Afgelopen jaar zagen we meer verschillen tussen de rassen dan tussen de zaaiafstanden en we zien dat de opbrengstverschillen tussen rassen die het IRS aangeeft, geringer zijn dan de verschillen die wij zelf ervaren. Zo geeft KWS Lonneka structureel hogere opbrengsten dan KWS Tessilia. Bij Lonneka varieert de gemeten opbrengst van 83,1 ton/ha (16 cm zaaiafstand) tot 89,8 ton/ha (22 cm zaaiafstand) terwijl die bij Tessilia varieert van 73,5 ton/ha (19 cm) tot iets boven de 75 ton/ha (16 en 22 cm). Op basis hiervan is het de moeite waard om bedrijfs- en perceelsspecifiek het beste ras voor jouw situatie te kiezen. Wat mij betreft mag het IRS dat verder uitdiepen en meer sturing geven.”

(tekst gaat onder grafiek verder)

Bij Gert roepen de relatief hoge opbrengsten voor de ruimere zaaiafstanden de vraag op of je niet nog iets ruimer kunt zaaien, bijvoorbeeld op 25 cm, om eenvoudiger cameraschoffelen toe te kunnen passen. “Het nadeel is dan wel dat je enorme bieten gaat krijgen die bij ons ook flink boven de grond uit gaan groeien.”

(tekst gaat onder foto verder)

bietenrooien
Elk jaar doet Sterenborg proeven met variabele zaaiafstanden in suikerbieten om die te evalueren met het opbrengstmeetsysteem op de rooier. Helaas gaf dat systeem problemen op een perceel met heel veel variatie in ‘grondslag’. Foto: Gert Sterenborg

Beregenen naar behoefte

Afgelopen jaar is er voor het eerst ook variabel beregend met behulp van het zogenoemde Raindancersysteem. Een systeem waarmee verschillende NPPL-deelnemers inmiddels ervaring hebben opgedaan. Met de Dacom-sensoren die Sterenborg heeft staan, lukt het al aardig om naar behoefte te beregenen door de adviesgiften die de sensoren aangeven, in te geven in de Raindancerapplicatie. Gert: “Máár, per perceel een sensor plaatsen is veel te duur.”

“Het liefste willen we een koppeling tussen bodemvochtsensoren en de hoeveelheid water die een kanon geeft. Zodat op basis van data van de sensoren, een bepaalde hoeveelheid water wordt geadviseerd en ook kan worden gegeven. Dat werkt nog niet”, aldus Gert.

“Bij NPPL-deelnemer Sjaak Huetink speelt het vraagstuk rondom digitale koppelingen tussen sensoren van andere fabrikanten en het Raindancer-systeem ook. Raindancer is van goede wil om dergelijke vraagstukken op te lossen. Maar vanwege corona kon de leverancier van Raindancer niet naar Nederland komen”, zegt Johan. “Technisch kan er al heel veel, maar qua advisering kan het nog beter. Welk perceel moet je als eerste beregenen en welke volgorde hanteer je?”

“Raindancer houdt wel heel mooi bij waar je welke haspels gebruikt, hoeveel water ze geven en met welke druk. En de kantelsensor waarschuwt je als een kanon omgevallen is. Dat heeft zijn nut al ruimschoots bewezen”, aldus Gert.

(tekst gaat onder foto verder)

raindancer
Afgelopen jaar is er voor het eerst ook variabel beregend met behulp van het zogenoemde ‘Raindancer’ systeem. Dankzij sectiecontrole beregent het kanon precies binnen de perceelsgrens. Foto: Gert Sterenborg

Geen variatie in de uien

Variabele toepassingen van bodemherbiciden in de uien zaten er dit jaar niet in. Nanne: “We zagen te weinig variatie in percentages organische stof om taakkaarten met variabele doseringen op te baseren. Een ander punt is dat je tijdens het werk op het perceel geen invloed meer hebt op de doseringen die de taakkaart hanteert. Hierdoor kun je niet naar eigen inzicht afwijken van de taakkaart als de plaatselijke omstandigheden daartoe reden geven. En dat wil je soms wel. Bijvoorbeeld iets meer langs perceelsranden. Vanaf dit jaar kunnen we taakkaarten draadloos uitwisselen tussen kantoor en trekkers en wellicht dat Gert op kantoor dan snel even een taakkaart aan kan passen en die naar de trekker kan sturen.”

Zunhammer schiet te hulp

Omdat Sterenborg verschillen blijft waarnemen tussen de gehaltes in drijfmest en mengmest gemeten met hun Zunhammer NIR-sensor en de uitkomsten van de labanalyses van de mestmonsters, is er een gesprek geweest met de NIR-specialist van Zunhammer. “Hij geeft aan dat ook zij die verschillen zien en dat de labanalyses niet nauwkeurig genoeg zijn. In gemengde mest bestaande uit verschillende codes zoals zeugenmest, mestvarkensmest en digestaat, zijn de verschillen wel geringer als in samengestelde mest”, zegt Nanne.

(tekst gaat onder foto verder)

zunhammer
Dit jaar gaat Sterenborg mestmonsters nemen tijdens het uitrijden. Zunhammer laat die de monsters chemisch analyseren door een door Zunhammer geselecteerd laboratorium. Foto: Gert Sterenborg

“Daarom gaan we dit jaar mestmonsters nemen tijdens het uitrijden en die sturen we op naar Zunhammer die de monsters op hun beurt chemisch laten analyseren door een door Zunhammer geselecteerd laboratorium. Met de uitkomsten daarvan hopen we dan ijklijnen te kunnen verbeteren en in combinatie met de ruwe data ook metingen achteraf te kunnen corrigeren. Dat is een hele mooie stap, ook voor gemengde mest”, besluit Nanne.

(tekst gaat onder foto verder)

display NOR sensor
Met de uitkomsten van de labanalyses wordt geprobeerd de ijklijnen te verbeteren. “Wellicht kunnen we de metingen in combinatie met ruwe data dan ook achteraf corrigeren. Dat is een hele mooie stap, ook voor gemengde mest”, zegt Nanne. Foto: Gert Sterenborg

Herhalen in 2021

In 2021 gaan Nanne en Gert verder met de precisielandbouwactiviteiten van afgelopen jaar. “Hopelijk kunnen we dit jaar wel variabel bodemherbiciden toepassen in de uien op een perceel met meer bodemvariatie. En tijdens het variabel poten van de zetmeelaardappelen kunnen we nu ook een tweede taakkaart activeren om granulaat variabel toe te dienen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Door op “Plaats reactie” te klikken ga ik akkoord met
de gebruikersvoorwaarden en de Privacy Policy.

Deelnemer

Expert